woensdag 18 september 2019

2030: Buitenaards graaien als laatste strohalm? Hmm. (forget it!)



Planeet Aarde. Bron: Wikipedia



Op Europa

Let op: leestijd! (2000 woorden)


Inhoud

  • I: de vader (666 woorden)
  • II: de zoon (666 woorden)
  • III: Ilias (small conversation, great conversation; 555 woorden)
  • Epiloog (111 woorden)



I: de vader

Winst


Dit is nog eens nieuws! 
Eindelijk is het bestaan van buitenaards leven dan wetenschappelijk aangetoond! 
Dit moest beslist nog bij mijn leven gebeuren. 

Zelf ‘wist’ ik het natuurlijk al lang. 
Kwestie van vroeg op staan. 
Espressootje erbij en daar is mijn stip op de horizon! 
Moet het wel een beetje weer zijn, natuurlijk. 
Vanochtend hing er regen in de lucht en liet Jupiter zich niet zien. 
Maar veel beter dan dit bericht via SpaceForFace kon het niet. 
Hoewel de details helaas nog niet worden vrijgegeven. 

Godzijdank heb ík aan een half woord genoeg: het moet één van die maantjes zijn. 
Die kan ik zelf vanuit mijn keukenraam zien, met mijn eigen kijkertje. 
Europa, waarschijnlijk. 
Die kijker was niet goedkoop, maar… hoe moeilijk kan het zijn?!




Jupitermaan Europa. Bron: Wikipedia

Beter laat dan nooit! 
Ik maak het gelukkig nog hoogstpersoonlijk mee. 
Déze wordt van ons. 
Europa! 
It’s in the name
Het heeft zo moeten zijn. 

Wat zullen die Amerikanen op hun neus kijken! 
Mars hebben ze onderling al verdeeld. 
Maar Mars blijkt dus zo dood als een pier. 
Laat die Yankees maar lekker aan een dood paard trekken. 
Op dat lijk kunnen ze hooguit hun overtollige mest nog kwijt! 
Of hun kernafval, desnoods. 

Anyway: als het Europa niet is, dan is het Io! 
Niet toevallig Italiaans – ik heb een huisje in Toscane – voor ‘ik’.



Jupitermaan Io. Bron Wikipedia


Io lijkt, inderdaad, op mij. 
Io bárst letterlijk van energie. 
Zowel vulkanisch als elektromagnetisch, het kan niet op! 
Zulke kansen zie ík persoonlijk zonder telescoop!



'Kansen' op Io. Bron: Wikipedia


Van nature ben ik een pionier, al zeg ik het zelf. 
Mijn leven lang heb ik nooit iets anders gedaan dan grenzen verleggen. 
In de praktijk overigens vooral die van anderen. 

Noem dat laatste gerust mijn specialiteit.
Ik trek die kar! 
Je zou kunnen zeggen dat ik dat kleine, maar supersterke sleepbootje ben dat die trage meute naar volle zee sleept. 

Of, in dit geval, de ruimte in. 
Net zo makkelijk. 
Uit die comfortzone
Daar ben ik dus ondernemer voor. 
Laat dat maar aan mij over.

Ik met pensioen? 
Net nu het interessant wordt?! 
Over my dead body!



Windmolenpark Eemshaven. Foto: Blogwachter, augustus 2019

Zo zag ik destijds meteen het verdienmodel in die windturbines. 
Het landschap verandert. 
Daar helpt geen moedertjelief aan! 
Een mens moet met zijn tijd mee.

Thinking Big, ziedaar mijn tweede specialiteit. 
Dus liet ik, hoogstpersoonlijk, het eerste windmolenpark van zowat vierhonderd meter hoog bouwen. 
Driehonderd turbines. 
Net zo makkelijk!

Die Groningers piepten wel, maar ze wilden toch zo nodig van het gas af? 
Na die extreem zware beving in eenentwintig waren hun centjes bovendien op.
Zulke kansen ruik ik. 
Dan sla ík mijn slag. 

Dat procentje van de winst ging er overigens in als koek. 
Laten we eerlijk wezen: dat is meer dan ze voor hun gas ooit gekregen hebben. 
Komt uiteindelijk, via de belastingdienst, wel weer bij me terug. 



Groningen Eemshaven. Foto: Blogwachter, augustus 2019

Slagschaduw?
Google Glass op je snufferd en je ziet er niks meer van!

Maar ik dwaal af. 
Bij Jupiter! 
Dit opent perspectieven.
Om te beginnen waait het daar altijd. 
Op Jupiter betekent ‘in ’t rood’ dat je daar bent waar het gebeurt: in het oog van die bloedrode storm.



Rode vlek Jupiter: een cycloon,
met drie keer de omvang van de aarde.
Bron: Wikipedia


Ja, dommerdjes, daarbinnen is het juist rustig! 
Out of the box, into the storm
Evenals Io schijnt dat andere maantje, Europa, trouwens te bulken van energie: getijdenwerking, waterstof...

Hoe het precies met dat buitenaardse leven zit moeten we natuurlijk nog zien. 
Maar of het nou witjes, zwartjes, geeltjes (wie kent ze nog: investeerde ík destijds in aandeeltjes…) of groentjes (mijn favorieten: minimumloontje, geen gezeik) zijn: het moet raar lopen wil ík er mijn voordeel niet mee doen!

Ik dus gelijk mijn zoon gebeld. 
Telefoon stond uit. 
Lag natuurlijk nog in zijn nest. 
Dus ik er naar toe, met de zelfrijdende wagen. 
Buitenwijk, eengezinswoninkje. 
Zijn zelfgebouwde huis was niet meer te redden na de watersnoodramp van 2026. 
Zoiets zal mij niet gebeuren, ík woon op zand! 

Toch heb ík hem aan deze nette woning geholpen. 
Ik blijf zijn vader! 
Eindelijk, daar is ie. 
Groezelig peignoirtje, ogen halfdicht, moordlustig…

Dick Poldermans (Ondernemer, 1950)



II: de zoon

Verlies


Vanochtend mijn vader aan de deur, pathetisch vroeg. 
Had een bericht ontvangen over De Ontdekking van Buitenaards Leven.

Buitenaards leven! 
Geen weldenkend mens betwijfelt het bestaan daarvan! 
Hoeveel planeten buiten ons sterrenstelsel zijn er niet ontdekt met vergelijkbare omstandigheden als de aarde?
Maar, godzijdank, wel allemaal op veilige afstand!

Gelukkig worden wij, mensachtigen, voorlopig niet oud genoeg om de boel elders ook nog eens te verzieken. 
Tenminste niet binnen één generatie. 
Groente kweken, onbespoten binnenklimaatje of kindertjes baren op een ruimteschip? 
Dát zit er nog even niet in, pa! 

Maar mijn vader ziet ze alweer vliegen, dollartekens in de ogen. 
Zelfs voor mij zag hij nog wel een rolletje weggelegd, als ‘kolonist’. 
De mislukte zoon die elders zijn geluk mag beproeven! 
Hoewel, voorlopig, met een enkele reis: 
‘Vergeet vooral de spiegeltjes en de kraaltjes niet, zoon!’

Het nieuws over buitenaards leven zal wel over zo’n Jupiter-maantje gaan. 
Verschillende ruimtesondes scheren daar nu alweer enkele maanden langs.

Enfin: voor het eerst is buitenaards leven dus daadwerkelijk wetenschappelijk aangetoond. 
En als iets we-ten-schap-pe-lijk bewezen is, dán bestaat het pas, nietwaar? 

Helaas wil het er bij mijn pa niet in dat het vermoedelijk om eencellige organismen gaat, nota bene zorgvuldig verborgen onder een dikke laag ijs. 
Knappe jongen die daar een slaatje uit weet te slaan!



Voorbeeld van eencellig organisme:
het pantoffeldiertje. Bron: Wikipedia


Pas drie uur later heb ik hem de deur uit kunnen werken. 
Zodra de emoties opliepen, nam mijn zoon ons gekibbel stiekem op. 
‘Een interessant generatieconflictje’, aldus Ilias. 

Toegegeven: ik ergerde me wezenloos aan die man. 
En niet bepaald voor het eerst. 
Zo geloofde pa, beroeps-optimist, tot voor kort niet in klimaatverandering. 
Pas toen Rotterdam vier meter onder water stond (2026) viel het kwartje. 
Voor die tijd lulde hij wel mee, maar vooral vanwege die eeuwige verdienmodellen, naar eigen zeggen ‘zijn specialiteit’.

Want mijn pa zou zichzelf niet zijn, als hij niet onmiddellijk een oplossing paraat zou hebben. 
Een peperdure oplossing weliswaar, voor een – volgens hém dan – niet-bestaand probleem! 
En die oplossing lag, je raadt het al, buiten ons. 

Zijn ‘ambitieuze’ project om overtollige mest op Mars te dumpen mislukte wel, helaas. 
In heel West-Europa moest de was naar binnen toen zijn strontschip explodeerde. 
Maar nu laten die Jupiter-manen hem dus niet meer los. 
‘Elektromagnetische energie op Io’, orakelt hij, ‘ik zíe dat soort kansen’. 
Maanziek, die man!



Vervorming Jupiters magnetosfeer,
onder invloed van Io.
Bron: Wikipedia

Als ik zelf geen kinderen had zou ik bijna wensen dat zich onder die ijskap van Europa levensgevaarlijke bacillen verschuilen, die het uitgerekend op de mensheid hebben voorzien. 
We moeten zien te voorkomen dat deze plaag, homo sapiens sapiens, zich óók nog over de ruimte zal verspreiden! 
Die ouwe vroeg mijn zoon al hoe hij het zou vinden om ‘kindertjes te maken in een ruimteschip’. 

Zou hij beseffen dat de atmosfeer op andere hemellichamen voor aardbewoners extreem giftig is? 
De temperaturen ondraaglijk? 
En maar plannetjes maken, stuk onbenul. 
Zou hij seniel worden?



Doorsnede Jupitermaan Europa.
IJzerkern met mantel van ijs en steen.
Bron: Wikipedia

Toch zit er, om zo te zeggen, een addertje onder dat ijs. 
Europa zal die vervloekte Quants wel weer naar het hoofd stijgen. 
Mij noemen ze een romanticus, met mijn ‘vogeltjes’. 
Maar al die idiote fantasieën over de toekomst, dat is hip! 
‘Visie’, noemt mijn bloedeigen vader zoiets. 
Eerst je eigen planeet volledig uitwonen, om hetzelfde vervolgens elders nog eens dunnetjes over te doen!

Mijn zoon grinnikt. 
Zijn telefoon papegaait ons gebekvecht al. 
‘Laat opa toch’, aldus Ilias, ‘hij bedoelt het goed, ’t is voor jouw erfenis. 
Tenminste, dat zegt ie’. Ondeugend lachje, en daar gaat hij alweer. 
Kierkegaard op zijn schouder, gitaar onder de ene, ‘De allernieuwste gids met niet-bestaande vogels van Europa’ onder zijn andere arm. 
De vorige drie deeltjes heeft hij stukgelezen. 
Melig gedoe! 
Maar die rijk geïllustreerde vogelgids die ik hem gaf leest hij niet: 
‘Allemaal uitgestorven pap. Behalve die rotmeeuwen dan!’

Ha, eindelijk meer nieuws! 
Het blijkt inderdaad om Europa te gaan. 
Eencellige organismen onder het ijs, om precies te zijn. 
Zie je wel! 
De ijslaag blijkt dunner, het water daarentegen dieper dan gedacht. 
Kraamkamer? 
De geschiedenis herhaalt zich…

Koen Poldermans (Dr. Ir., 1980)




III: Ilias

Small conversation, 01-04-2030


“Vertel mij nou eens, pa, waarom jij ééncellige organismen ineens zo ontzettend interessant vindt.”

“Astronomie heeft mijn interesse. 
In mijn bergchalet staat een puik telescoopje…”

“Doe niet alsof je achterlijk bent, want dan ga ik het nog geloven. 
Ik heb het over één-cel-li-ge organismen…”

“Buitenaards leven, precies. 
Eindelijk! 
Blikveld uitbreiden, niet dat benauwde. 
Persoonlijk heb ik niets met beperkingen…”

“Mag ik je erop wijzen, pa, dat men nog dagelijks onbekend leven in aardse diepzeeën ontdekt? 
Fascinerende soorten, onverklaarbaar lévend zonder daglicht en zuurstof. 
Daar hoor ik jou nooit over! 
Terwijl dat veel boeiender is dan dat buitenaardse leven van jou.”

“Jongen, wat is jouw blikveld toch beperkt. 
Wat doe jij eigenlijk met die duurbetaalde titels van je? 
Klaagbrieven schrijven naar prominente persoonlijkheden!”

“Minister Fresco bedoel je? 
Dat mens is dóódeng! 
[slaat op tafel
Hoogstpersoonlijk haar eigen ministerie bekokstoofd: Extraterrestrial Energy Reinventing Industrial Ecology
Voel je ‘m, pa?! 
EERIE
Vertaling, speciaal voor jou: spóók-ach-tig! 
Maar één dingetje pa: van die eencelligen zul jíj niet rijk worden! 
Als jij braaf bent krijg jij van Sint een gids over niet-bestaande buitenaardse bullshit óp Europa…“

“Onze miníster neemt haar verantwoordelijkheid. 
Zelf voel ik aan mijn water dat ontwikkelingen onvoorstelbaar snel zullen gaan! 
Oké, zonder jou dan! 
Ik vind wel een stel vrijwilligers…”

“’Aan mijn water.’ [zeikerig stemmetje
Meneer voelt aan zijn water dat de grond nu echt te heet onder zijn voeten wordt. 
Ja, we moeten wel, hee?! 
En jij wou even een paar vrijwilligers invliegen? 
[stemverheffing
Wel ff een bóómpje voor planten, hee?! 
Straks speelt je gewéten nog op. 
Komt je bíefstukje er weer uit…”

“Ik koos speciaal een slim vrouwtje, als moeder voor mijn kinderen. 
Maar hij begrijpt nergens iets van! 
[zucht pathetisch
Vooruitgang…”

“Vooruitgang?! 
In wat voor wereld leef jij? 
Alles gaat naar de klote man! 
Mensapen? 
De allerlaatste exemplaren in de dierentuin! 
Woudreuzen? 
Allemaal opgestookt in die biomassacentrales van jou! 
Insecten? 
Platgespoten! 
Vooruitgang, noemt hij dat!” 
[rolt met ogen]

“Jij bent een romanticus. 
Jij idealiseert het verleden. 
Insecten, getverderrie! 
Mep ík altijd dood.”

“Jij bent zelf een romanticus! 
Een levensgevaarlijke bovendien! 
Weleens over nagedacht?! 
Je weet wat je had, maar niet wat je krijgt. 
Het verleden was nog niet zo gek! 
Verbazingwekkend concréét eigenlijk. 
Neem de nachtegaal. 
YouTube-filmpje, voor Ilias. 
Leeuweriken? 
Uitgestorven! 
Maar die fantastische toekomst van jou wordt, hoogstwaarschijnlijk, de hél. 
Op áárde! 
Gebruik je hersens man! 
Kijk eens uit je doppen!”

Ik heb mijn leven lang hard gewerkt. 
Ik zet mij al jaren in voor duurzame energie. 
Ik ben mijn gewicht in goudstaven waard… “

“Gewícht?! 
Door gebrek aan gewicht omhoog gevallen, zal je bedoelen. 
Nu ik erover nadenk: het luchtledige is, inderdaad, jouw unieke specialiteit!”

“Jíj zegt het…”


Great conversation, 01-04-2030


“De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet”, mompelt Ilias. 
Hij kriebelt het kauwtje op zijn schouder over de kop en fluistert: “Kriek, wat moeten we daar nu allemaal van denken?” 
Schaterlachend – “tsjaktsjaktsjak” – duikt Kierkegaard op de resten van het ontbijt. 

Ilias rent naar buiten en werpt zichzelf languit in het gras. 
Een duif, meegevoerd door een fris briesje, landt aan zijn voeten en pikt in de aarde. 
Verstrooid plukt Ilias enkele uitgebloeide wilde bloemen. 
De zaadjes verspreidt hij aandachtig over het gazon. 
Een bleke maar volle maan knipoogt hem toe en verdwijnt achter een wolk. 
Dan begint het te regenen.


Epiloog


De vraagstelling ‘welke gevolgen kan de ontdekking van buitenaards leven hebben voor de mensheid’ klinkt verontrustend antropocentrisch. 
Voorlopig breidt de mensenplaag zich immers uit, ongehinderd door natuurlijke vijanden. 
Een perpetuum mobile van winst en verlies, zowel geest als stof meedogenloos onderwerpend. 
Dat onze ambitieuze medemensen andere hemellichamen, al dan niet met leven, eveneens zullen koloniseren lijkt bijna onvermijdelijk.

Maar, wie weet, kan een – desnoods door buitenaards leven geïnspireerde – veeltalige bewustzijnsverruiming tenminste ons navelstaren doorbreken. 
Om, op termijn, de oorspronkelijke en heilige band tussen mens en natuur te herstellen. 
De vrucht van deze oeroude dialoog herbergt onvermijdelijk subjectieve waarheden: wild, verhalend, poëtisch, trefzeker en eigenwijs. 
Ketters, zo je wilt.


NB: dit essay werd ingezonden voor de NRC-KNHW essaywedstrijd van 2019. 
Het is niet in de prijzen gevallen.

maandag 16 september 2019

Odilia - een Boom in de tuin van trompettist Eric Vloeimans


Trompettist én bomenliefhebber Eric Vloeimans. 
Bron: Facebook

Mappen vol met ongebruikt fotomateriaal bewaar ik in mijn computer.

Het zijn vooral foto's van hoog opgestapelde, lijvige, maar morsdode essen én niet-essen, of van geheel (steeds vaker) of gedeeltelijk kaalgeslagen percelen.

De meeste foto's maakte ik op het Groninger Hogeland.
Maar inmiddels ook in de nabijheid van de Rotte te Rotterdam, waar in het afgelopen jaar op onvermoed grote schaal werd gekapt:


Het Lage Bergse bos. Foto Blogwachter, april 2019

Toch schreef ik sinds de kap van ons dorpsbos vrijwel niets meer, over bomen.
Misschien is mijn motivatie, mét ons mooie kleibosje, weggevaagd?
Want laten we eerlijk wezen: wat heb ik, met al mijn blogs, nu helemaal voor elkaar gekregen?


Boomakker Kruisweg (Kloosterburen) in het vroeger voorjaar van 2019. De bodem is omgewoeld in verband met de nieuwe aanplant. Foto: Blogwachter.

Ons dorpsbos lijkt inmiddels meer op een aardappelveld dan op iets anders.
Helaas 'stopt' de mishandeling elders in het land evenmin, 'niet vanzelf'... (net zo min als in die reclame)

Niet in onze tijd.
Niet met de huidige onstilbare HONGER naar hout:


Biomassa-berg in het Lage Bergse bos te Rotterdam.
Foto Blogwachter, voorjaar 2019

Als je je zó voelt is het altijd goed om te weten dat er gelijkgestemden zijn. 
Zoals gisterenavond in theater LantarenVenster te Rotterdam, waar de Rotterdamse trompettist Eric Vloeimans een geweldig optreden gaf.
Zo vat ik dus weer moed, en ik schrijf...

Halverwege het concert (samen met pianist Frank Woeste) vertelde Vloeimans over een 'prachtige berk', aangeplant in zijn eigen tuin.
'Odilia', had hij deze berk gedoopt: 'Jaja, een boom kun je ook een náám geven'.
'Odilia', heette ook het nummer dat hij vervolgens speelde.
Met een trompet die dan weer klinkt 'als een fluit' (aldus Frank Woeste) en dan weer als een... saxofoon?


Eric Vloeimans en Frank Woeste in LantarenVenster.
Bron: LantarenVenster.

Het optreden, in een vrijwel uitverkochte zaal, viel zeer in de smaak bij het publiek.
Dit betekende een toegift, tot mijn grote vreugde (dit klinkt heel plechtig en zo is het precies bedoeld!) alwéér over een Boom.
Maar deze keer betrof het een minder vrolijke geschiedenis.

'In Rotterdam zijn bomen sinds enkele jaren vogelvrij', aldus Eric Vloeimans, 'Het is een soort mode geworden om bomen te kappen' zodra iemand melding maakt van overlast, zoals, eh, 'poep op de auto', of 'gebrek aan zonlicht'.

Zo werd een 'ongeveer tachtig jaar oude' boom in zijn straat onlangs zonder pardon gekapt.
De trompettist had er 'twee nachten slecht van geslapen': 
'Het doet mij pijn als bomen worden gekapt; ik houd van bomen'. 

Bovendien begreep hij het niet.
De bewoners die bij de gemeente om de kap verzochten hadden voor hun raam nota bene 'hele dikke vitrage' aangebracht, met een 'zwart geschilderde muur' erachter.

Ik klapte spontaan, zó blij was ik met deze openlijke liefdesverklaring aan een bóóm. 
Mijn (mij onbekende) buurman deed voorzichtig mee, maar stopte helaas onmiddellijk toen er niemand bijviel.

Dit ongemak vergat ik gelukkig snel, dankzij de daaropvolgende (prachtige) 'hymne aan een boom', speciaal voor de tachtigjarige pechboom in de straat van de trompettist.
Maar vast óók een beetje voor al die andere bomen in al die andere straten van Rotterdam (en omstreken):


Kap van een boom op een binnenterrein, Rotterdam Bergpolder.
Foto: Blogwachter, voorjaar 2019

Wat is er aan de hand in Rotterdam?
Afgelopen voorjaar maakte ik op Meldpunt Bomenkap melding van rigoureuze snoei - zonder nestinventarisatie! - in het broedseizoen.
Verder beschreef ik de kap van een oude naamloze reus op een binnenplaats:


Kap van een boom op een binnenterrein, Rotterdam Bergpolder.
Foto: Blogwachter, voorjaar 2019

Voor die kap was niet eens een kapvergunning nodig geweest.
De eigenaar was immers 'een particulier', verklaarde een omstander, en dan 'is er geen kapvergunning nodig'.

?!!

Navraag leerde dat er, sinds de nieuwe omgevingswet, inderdaad geen kapvergunning meer nodig is.
Dit bedoelde de trompettist dus met vogelvrij.
Wel moet vooraf worden geïnventariseerd of er geen nesten aanwezig zijn. 


Ongemarkeerd nest (ekster?) in een Rotterdamse esdoorn; elders in de straat is een hoogwerker al bezig met de snoei...
Foto Blogwachter, april 2019

Ik was er niet helemaal gerust op.
Eerder in die week wás er immers rigoureus gesnoeid in mijn straat, zonder dat de in enkele(!) bomen overduidelijk aanwezige nesten vooraf waren gemarkeerd.
Het nest op bovenstaande foto heb ik - als een echte 'dorpsgek' - hoogstpersoonlijk bewaakt, totdat de hoogwerker weer vertrokken was.

Het markeren van de nesten zou volgens de gemeente de verantwoordelijkheid zijn van enkele 'boswachters', die gelukkig (hoewel pas na enige uren proberen) telefonisch bereikbaar bleken.
Uit een gesprekje met één van hen bleek helaas dat de handhaving in de praktijk weinig om het lijf heeft.
Volgens deze man zijn er te weinig boswachters in de stad, met teveel verschillende taken en verantwoordelijkheden.


Kap van een boom op een binnenterrein, Rotterdam Bergpolder.
Foto: Blogwachter, voorjaar 2019

Alleen een 'heterdaadje' kan in de praktijk helpen, verklaarde de man.
Zodra je dus ziet dat iemand een boom wil kappen met, duidelijk aantoonbaar, een nest erin, moet je onmiddellijk de gemeente bellen via het centrale nummer (14010).
En dan maar hopen dat ze je snel doorverwijzen naar een boswachter, die - o gruwel - meteen de telefoon opneemt (nb: voordat mijn boswachter opnam was ik twee uur verder).

Tsja... 'vogelvrij', inderdaad.
Bid voor ons, Heilige Odilia, dat lijkt me geen overbodige luxe.
Of liever: voor de bomen.


De heilige 'Odilia of Cologne'. Bron: Wikipedia


Nog iets: namen geven aan bomen, dát houden we erin.
Het máákt verschil, echt waar!
Net als bij koeien. 
Bedankt voor het mooie idee, Eric! 

zaterdag 15 juni 2019

De LaAtStE Steen: keurmerk voor de gebouwde omgeving


Elk gerealiseerd ruimtelijk ontwerp, hoe kleinschalig ook, is in de praktijk een experiment. 
Niet uitsluitend gebruikers maar ook omwonenden functioneren, vaak onbedoeld, als proefkonijn. 
Zo bezien zijn stedenbouwkundige plannen grootschalige experimenten op menselijke gemeenschappen. 
Helaas blijft het bij wetenschappelijke experimenten gebruikelijke informed consent vaak achterwege. 
Het eindproduct van de samenwerking tussen ontwerpers en opdrachtgevers roept dan ook onvermijdelijk vragen op:


  • Werd er vooraf onderzoek gedaan naar eventuele risico’s? 
  • Zijn alle proefpersonen tijdig geïnformeerd over negatieve consequenties van de voor hun directe leefomgeving gemaakte keuzes? 
  • Op welke vooronderstellingen zijn de experimenten eigenlijk gebaseerd? 
  • Welke idealen, opvattingen, theorieën en belangen zitten erachter?

Nu we het er toch over hebben: van wie is de stad?
Vaak worden zulke vragen niet eens gesteld, laat staan beantwoord. 
In de praktijk brengt bouwen al genoeg praktische, technische en economische uitdagingen met zich mee. 
De winst maakt vervolgens (te)veel goed. 


Woontoren Montevideo, Wilhelminapier Rotterdam. Foto: Blogwachter

Neem één van die luxueuze woontorens. 
Ze trekken zich niets van de omgeving aan. 
Megatorens kunnen overal worden neergezet, ooit een modernistisch ideaal. 

Vaak zijn zulke verticale gated communities – want dat zijn het – van alle gemakken voorzien: fitnesscentrum, zwembad, parkeergarage, ontmoetingsruimtes en een professioneel onderhouden gemeenschappelijke daktuin. 
Pakketbezorgers rijden af en aan. 
Aan ‘Ons Soort Mensen’ is geen gebrek. 
Behalve voor werk, ziekenhuis- of familiebezoek hoeven bewoners hun leefgemeenschap eigenlijk niet meer te verlaten.

Overheden hebben zo hun redenen om te kiezen voor woontorens. 
Een belangrijk argument is binnenstedelijke verdichting. 
Ook gentrification speelt mee, hoewel in dit geval niet spontaan, maar kunstmatig opgelegd. 
Het middels woontorens aantrekken van welgestelde bewoners zou goed zijn voor grootstedelijke economieën. 
Maar in de praktijk profiteren vooral geprivilegieerden. 
Eenzijdig afsluitbare woongemeenschappen zijn immers veilig. 
Grootstedelijke onrust en andersdenkenden kunnen selectief worden geweerd.

Zicht op Wilhelminapier, vanaf de Maas. Rechts 'aan de voet': 
het ooit zo imposante Hotel New York. Foto: Blogwachter.

Maar wat doet zo’n ongenaakbare woontoren in de praktijk met omwonenden? 
In de Verenigde Staten zijn gated communities al langer algemeen geaccepteerd. 
De gevolgen voor het stedelijk leven zijn onmiskenbaar: toenemende segregatie en onveiligheid, onleefbare (binnen)steden en alomtegenwoordigheid van de auto. 
Hoewel het middels gated communities aantrekken van welgestelden goed lijkt voor de gemeentekas, onttrekt elke opgeleverde megatoren opnieuw waardevol leven aan de stad. 
Behalve mensen leeft er bovendien vrijwel niets.


'Vertrouw nooit een omgeving waar geen onkruid groeit'
Tegelpret

Onkruid heeft geen kans, alle rommeligheid is zorgvuldig verbannen. 
Alles is er af, steriel bijna. 
Kinderen kunnen dus nergens spelen, vogels hebben er niets te zoeken. 
Levende wezens lijken hier feitelijk misplaatst. 
Bewoners raken afgesneden van de natuur en leven in een ecologisch vacuüm. 
Hun ervaring van de omringende wereld – het mooie uitzicht! – is uitsluitend visueel. 
Dat is jammer, want wat je niet kent, bescherm je niet. 
Kortom: gated communities zijn goed voor hun welgestelde bewoners, maar slecht voor alle andere stedelingen. 
Willen Nederlandse gemeentebesturen dit echt?

Dankzij onze fameuze handelsmentaliteit en de nabijheid van een wereldhaven rukt in Nederland bovendien de ‘verdozing’ op. 
De gerobotiseerde distributiecentra in de stedelijke periferie creëren evenals megatorens een ecologisch vacuüm. 
Zelfs mensen hebben in zo’n omgeving niets meer te zoeken. 
Maar ook het Nederlandse platteland bestaat inmiddels vooral uit zombie-natuur.


Moderne boerenschuur nabij Leens, Hogeland. Foto: Blogwachter

In oude schuren met hanenbalken en een rieten dak broed(d)en vrijwel altijd uilen of zwaluwen. 
In moderne damwandschuren broedt niets. 
Het aantal insecten is gedecimeerd en de biodiversiteit staat zwaar onder druk.


Zij aan zij: een moderne en een historische schuur, Hogeland. 
Let ook op de schaalvergroting! De historische schuren zijn al enorm! 
Foto: Blogwachter

Wiens taak is het eigenlijk om alle belangen – en dus niet uitsluitend de economische – zorgvuldig af te wegen? 
Kunnen ruimtelijk ontwerpers zoals architecten, stedenbouwkundigen en landschapsontwerpers zich nog langer afzijdig houden van deze discussie? 
Een goed ontwerp voegt immers iets toe, brengt ontmoetingen en levendigheid in plaats van dood.

Moderne boerenschuur nabij Leens, Hogeland. Foto: Blogwachter

De tijd lijkt rijp voor een duwtje in de goede richting. 
Voor de producten van het boerenbedrijf bestaan inmiddels al diverse keurmerken: ‘beter leven’, ‘biologisch’ of ‘vrije uitloop’. 
Maar voor opname in het architectenregister volstaan opleiding en ervaring. 
Zoveel mogelijk bouwen blijft een pré.


Sloop en vervangende nieuwbouw van oude 'heerd' langs Pieterpad, Hogeland. 
Foto: Blogwachter

Is er een alternatief? 
Inmiddels kiest een toenemend aantal boeren welbewust voor een biologische bedrijfsvoering, ondanks de financiële consequenties. 
De beschikbaarheid van biologische producten geeft consumenten invloed. 
Ondanks het voorlopig marginale marktaandeel is er een begin gemaakt.

Een vergelijkbaar keurmerk, ter beoordeling van de menselijke en ecologische waarde van het eindproduct van de samenwerking tussen opdrachtgevers en ruimtelijk ontwerpers, zou een eerste stap kunnen zijn. 
Met elk gerealiseerd project spreken ontwerpers en opdrachtgevers zich immers uit. 
Een verleend keurmerk kan een visitekaartje zijn.

Hoe verdien je dit keurmerk? 
De (bouw)praktijk van respectievelijk architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten varieert nogal. 
De beoordelingscriteria moeten op verschillende vakgebieden toepasbaar zijn en liefst controleerbaar door een leek.


Uitgangspunten beoordelingscriteria

De stad en het landschap zijn van ons allemaal. 
Wie voor God speelt door (onomkeerbaar) in te grijpen in onze leefomgeving, draagt een verantwoordelijkheid.
Kritische vragen worden zowel gesteld als beantwoord: 


  • Voegen we voor iedereen iets toe, of ontwerpen we voor enkele geprivilegieerden? 
  • Oftewel: streven we naar gelijkheid of ongelijkheid? 
  • Leggen we ons neer bij een toenemende vercommercialisering van de openbare ruimte? 
  • Erkennen en benoemen we achterliggende idealen, vooronderstellingen en vooral: belangen? 
  • Koesteren we het leven, of accepteren we een langzame maar zekere afname ervan? 
  • Staren we ons blind op een onzekere(!) toekomst op basis van technologische hoogstandjes of beschermen we vooraleerst wat er is? 
  • Kortom: spreken onze plannen zich voor of tegen het leven uit?

Schaal, verhoudingen en menselijke maat zijn cruciaal. 
Mensen hebben nog altijd dezelfde basisbehoeften: inspanning, ontspanning, ontmoeting, zingeving en schoonheid. 
Techniek is een hulpmiddel en dus nooit een doel. 
Laat staan een excuus! 
De hoeveelheid verharding blijft evenals de bouwhoogte beperkt. 
Openbare ruimte is zonder beperkingen toegankelijk. 
Overal is ruimte voor eigen invulling van de gebruikers, inclusief de niet-menselijke. 
Bomen zijn geen inwisselbaar decor, maar structurerende blijvers. 
Een ontwerp dat geen enkele mate van wildheid – met uitzondering van commerciële wildgroei – verdraagt is geen goed ontwerp. 
Want evenals kinderen houden vogels van een zekere rommeligheid. 
Verder gaat het om concrete details, zoals herkomst en hergebruik van de toegepaste materialen en de (sociale) omstandigheden van de bouw.

Boomakker Kruisweg: overvloedig regenwater hoopt zich op.
Foto: Blogwachter.

Inmiddels zit de lange tijd zo veronachtzaamde context ons op de hielen. 
De hittestress neemt elke zomer toe, evenals de smog. 
Periodiek hoopt overvloedig regenwater zich op. 
Stedelingen lijden massaal aan een burnout
Dit moet beter kunnen! 
Misschien verdienen leefbare, inclusieve, groene (bouw)projecten binnenkort…

De LaAtStE Steen!

Aan elk gerealiseerd ruimtelijk ontwerp kan bij bewezen geschiktheid volgens een aantal eenvoudige, voor elke leek begrijpelijke en officieel vastgelegde criteria het keurmerk ‘Laatste Steen’ worden verleend. 
De Laatste Steen is letterlijk een omvangrijke, gehalveerde zwerfkei. 
Beide snijvlakken worden vooraf gepolijst en voorzien van een ambachtelijk gebeitelde tekst. 
De helften worden zo geplaatst dat de teksten goed leesbaar zijn. 
De ene helft bevat de standaardtekst:

andschap
a
rchitectuur
t
tede(n)bouw
t
cologie

S T E E N

Op de andere helft wordt de specifieke projectinformatie vermeld: ‘gelegd op (tijdstip) door (ontwerpbureau) & (opdrachtgever)’, inclusief een weblink naar aanvullende informatie over het keurmerk. 
Vanzelfsprekend is de definitieve plaatsing van de Laatste Steen een feestelijke gebeurtenis, bijgewoond door gebruikers, omwonenden, ontwerpers, opdrachtgevers en journalisten.

De Laatste Steen symboliseert miljoenen jaren gestold leven. 
Aldus inspireert de Laatste Steen in de eerste plaats tot bescheidenheid. 
De inbreng van ontwerpers en opdrachtgevers beperkt zich tot de kunstmatig gepolijste doorsnede. 
Alle betrokkenen opereren immers op het snijvlak van verleden en toekomst. 
Dankzij het grote soortelijke gewicht kan de Laatste Steen niet zonder takelwagen ontsnappen. 
Zo krijgt de Laatste Steen, hoogstwaarschijnlijk gedurende vele jaren, het laatste woord.